Tenses for afpersen Tegenwoordig en verleden deelwoord:
afpersend; afgeperst
Presens:
pers af, perst af, perst af
(4e - 6e pers.) persen af
Imperfect:
(1e - 3e pers.) perste af
(4e - 6e pers.) persten af
Toekomende tijd I:
zal afpersen, zult afpersen, zal afpersen
(4e - 6e pers.) zullen afpersen
Conditionalis I:
(1e - 3e pers.) zou afpersen
(4e - 6e pers.) zouden afpersen
Perfectum:
heb afgeperst, hebt afgeperst, heeft afgeperst
(4