Dutch - English - bepakken Pronunciation
v. load, pack

Share this page
Verb forms for bepakken
Tegenwoordig en verleden deelwoord: bepakkend; bepakt
Presens: bepak, bepakt, bepakt (4e - 6e pers.) bepakken
Imperfect: (1e - 3e pers.) bepakte (4e - 6e pers.) bepakten
Toekomende tijd I: zal bepakken, zult bepakken, zal bepakken (4e - 6e pers.) zullen bepakken
Conditionalis I: (1e - 3e pers.) zou bepakken (4e - 6e pers.) zouden bepakken
Perfectum: heb bepakt, hebt bepakt, heeft bepakt (4e - 6e pers.) hebben be