Dutch - English - blaken Pronunciation
v. scorch, burn
German - Spanish - blaken Pronunciation
v. humear
German - French - blaken Pronunciation
v. fumer

Share this page
Verb forms for blaken
Tegenwoordig en verleden deelwoord: blakend; geblaakt
Presens: blaak, blaakt, blaakt (4e - 6e pers.) blaken
Imperfect: (1e - 3e pers.) blaakte (4e - 6e pers.) blaakten
Toekomende tijd I: zal blaken, zult blaken, zal blaken (4e - 6e pers.) zullen blaken
Conditionalis I: (1e - 3e pers.) zou blaken (4e - 6e pers.) zouden blaken
Perfectum: heb geblaakt, hebt geblaakt, heeft geblaakt (4e - 6e pers.) hebben geblaakt