frame in English and example sentences

frame in English

Pronunciation
n. frame, structure

frame in Dutch

Pronunciation
zn. lijst; montuur; kozijn; bouw; lichaamsbouw; humeur; beeld (in film); (op internet) protocol dat "gegevenspakket" bevat met adresveld en slotveld
ww. ontwerpen, uitdenken, formuleren, vormen, verzinnen; inlijsten, omlijsten; (iem.) erin luizen, (opzettelijk) vals beschuldigen

Example Sentences

Men is reeds bezig met de bouw van een nieuw ‘frame’ om Tsjernobyl heen.
They are already preparing a new 'frame' to cover Chernobyl.
pronunciation pronunciation pronunciation err
Dictionary Extension
Share this page
Synonyms for frame
1. geraamte: raamwerk
2. raamwerk: chassis