Dutch - English - fronsen Pronunciation
v. frown, wrinkle one's brow in displeasure or anger, scowl, glower
Dutch - French - fronsen Pronunciation
(rok) froncer

Share this page
Verb forms for fronsen
Tegenwoordig en verleden deelwoord: fronsend; gefronst
Presens: frons, ~t, ~t (4e - 6e pers.) ~en
Imperfect: (1e - 3e pers.) ~te (4e - 6e pers.) ~ten
Toekomende tijd I: zal ~en, zult ~en, zal ~en (4e - 6e pers.) zullen ~en
Conditionalis I: (1e - 3e pers.) zou ~en (4e - 6e pers.) zouden ~en
Perfectum: heb gefronst, hebt gefronst, heeft gefronst (4e - 6e pers.) hebben gefronst
Voltooid verleden tijd: (1