Tenses for fronsen Tegenwoordig en verleden deelwoord:
fronsend; gefronst
Presens:
frons, ~t, ~t
(4e - 6e pers.) ~en
Imperfect:
(1e - 3e pers.) ~te
(4e - 6e pers.) ~ten
Toekomende tijd I:
zal ~en, zult ~en, zal ~en
(4e - 6e pers.) zullen ~en
Conditionalis I:
(1e - 3e pers.) zou ~en
(4e - 6e pers.) zouden ~en
Perfectum:
heb gefronst, hebt gefronst, heeft gefronst
(4e - 6e pers.) hebben gefronst
Voltooid verleden tijd:
(1