Dutch - English - morrelen Pronunciation
v. fumble, boggle, monkey

Share this page
Synonyms for morrelen
klungelen: peuteren, rommelen
Verb forms for morrelen
Tegenwoordig en verleden deelwoord: morrelend; gemorreld
Presens: morrel, morrelt, morrelt (4e - 6e pers.) morrelen
Imperfect: (1e - 3e pers.) morrelde (4e - 6e pers.) morrelden
Toekomende tijd I: zal morrelen, zult morrelen, zal morrelen (4e - 6e pers.) zullen morrelen
Conditionalis I: (1e - 3e pers.) zou morrelen (4e - 6e pers.) zouden morrelen
Perfectum: heb gemorreld, hebt gemorreld, heeft gemorreld (4e - 6e