Definitions and translations for "obsederen"

Dutch - English - obsederen

v. obsess, be abnormally preoccupied with something

Dutch - French - obsederen

(geest) obséder
Share this page
dictionary extension
Synonyms for obsederen
Verb forms for obsederen
Tegenwoordig en verleden deelwoord: obsederend; geöbsedeerd
Presens: obsedeer, obsedeert, obsedeert (4e - 6e pers.) obsederen
Imperfect: (1e - 3e pers.) obsedeerde (4e - 6e pers.) obsedeerden
Toekomende tijd I: zal obsederen, zult obsederen, zal obsederen (4e - 6e pers.) zullen obsederen
Conditionalis I: (1e - 3e pers.) zou obsederen (4e - 6e pers.) zouden obsederen
Perfectum: heb geöbsedeerd, hebt geöbsedeerd, heef