Tenses for opkomen Tegenwoordig en verleden deelwoord:
opkomend; opgekomen
Presens:
kom op, komt op, komt op
(4e - 6e pers.) komen op
Imperfect:
(1e - 3e pers.) kwam op
(4e - 6e pers.) kwamen op
Toekomende tijd I:
zal opkomen, zult opkomen, zal opkomen
(4e - 6e pers.) zullen opkomen
Conditionalis I:
(1e - 3e pers.) zou opkomen
(4e - 6e pers.) zouden opkomen
Perfectum:
ben opgekomen, bent opgekomen, is opgekomen
(4e - 6e pers.) zij