Dutch - English - oplopen Pronunciation
v. mount up, accrue, run up, run on, incur, catch, foul, contract
Dutch - French - oplopen Pronunciation
1. (toename) monter; s'élever; augmenter 2. (verlies) éprouver; essuyer
3. (nederlaag) subir 4. (ziekte) attraper; contracter
5. (schuld) encourir 6. (schade) subir

Share this page
Synonyms for oplopen
1. bestijgen
2. stijgen: toenemen, vermeerderen
3. meelopen
4. krijgen: opdoen
Verb forms for oplopen
Tegenwoordig en verleden deelwoord: oplopend; opgelopen
Presens: loop op, loopt op, loopt op (4e - 6e pers.) lopen op
Imperfect: (1e - 3e pers.) liep op (4e - 6e pers.) liepen op
Toekomende tijd I: zal oplopen, zult oplopen, zal oplopen (4e - 6e pers.) zullen oplopen
Conditionalis I: (1e - 3e pers.) zou oplopen (4e - 6e pers.) zouden oplopen
Perfectum: heb opgelopen, hebt opgelopen, heeft opgelopen (4e - 6e pers