Definitions and translations for "opwinden"

Dutch - English - opwinden

Pronunciation
v. wind, windlass, excite, agitate, flutter

Dutch - French - opwinden

Pronunciation
1. (boos maken) froisser; irriter; contrarier
2. (horloge) remonter
3. (gevoelens) exciter; stimuler; agiter
Share this page
Dictionary Extension
Synonyms for opwinden
1. oprollen
2. enthousiasmeren: prikkelen
3. kwaad worden
Verb forms for opwinden
Tegenwoordig en verleden deelwoord: opwindend; opgewonden
Presens: wind op, windt op, windt op (4e - 6e pers.) winden op
Imperfect: (1e - 3e pers.) wond op (4e - 6e pers.) wonden op
Toekomende tijd I: zal opwinden, zult opwinden, zal opwinden (4e - 6e pers.) zullen opwinden
Conditionalis I: (1e - 3e pers.) zou opwinden (4e - 6e pers.) zouden opwinden
Perfectum: heb opgewonden, hebt opgewonden, heeft opgewonden (