Dutch - English - opzetten Pronunciation
v. put on, ruffle up, stuff, fix, frame
Dutch - French - opzetten Pronunciation
1. (plan) orchestrer
2. (dieren) empailler
3. (voorwerpen) planter

Share this page
Synonyms for opzetten
1. aanzwellen: opzwellen, uitzetten
2. opkomen
3. beginnen: beramen, ondernemen
4. aanmoedigen: aanzetten, opstoken
Verb forms for opzetten
Tegenwoordig en verleden deelwoord: opzettend; opgezet
Presens: zet op, zet op, zet op (4e - 6e pers.) zetten op
Imperfect: (1e - 3e pers.) zette op (4e - 6e pers.) zetten op
Toekomende tijd I: zal opzetten, zult opzetten, zal opzetten (4e - 6e pers.) zullen opzetten
Conditionalis I: (1e - 3e pers.) zou opzetten (4e - 6e pers.) zouden opzetten
Perfectum: heb opgezet, hebt opgezet, heeft opgezet (4e - 6e pers.) h