Tenses for opzetten Tegenwoordig en verleden deelwoord:
opzettend; opgezet
Presens:
zet op, zet op, zet op
(4e - 6e pers.) zetten op
Imperfect:
(1e - 3e pers.) zette op
(4e - 6e pers.) zetten op
Toekomende tijd I:
zal opzetten, zult opzetten, zal opzetten
(4e - 6e pers.) zullen opzetten
Conditionalis I:
(1e - 3e pers.) zou opzetten
(4e - 6e pers.) zouden opzetten
Perfectum:
heb opgezet, hebt opgezet, heeft opgezet
(4e - 6e pers.) h