Tenses for toebehoren Tegenwoordig en verleden deelwoord:
toebehorend; toebehoord
Presens:
behoor toe, behoort toe, behoort toe
(4e - 6e pers.) behoren toe
Imperfect:
(1e - 3e pers.) behoorde toe
(4e - 6e pers.) behoorden toe
Toekomende tijd I:
zal toebehoren, zult toebehoren, zal toebehoren
(4e - 6e pers.) zullen toebehoren
Conditionalis I:
(1e - 3e pers.) zou toebehoren
(4e - 6e pers.) zouden toebehoren
Perfectum:
heb toebehoord, hebt