Dutch - English - uitbuiten Pronunciation
v. exploit, sweat, utilize, squeeze
Dutch - French - uitbuiten Pronunciation
(persoon) profiter de; exploiter

Share this page
Synonyms for uitbuiten
benutten: exploiteren, gebruiken, profiteren van, uitbaten, uitpersen, uitzuigen
Verb forms for uitbuiten
Tegenwoordig en verleden deelwoord: uitbuitend; uitgebuit
Presens: buit uit, buit uit, buit uit (4e - 6e pers.) buiten uit
Imperfect: (1e - 3e pers.) buitte uit (4e - 6e pers.) buitten uit
Toekomende tijd I: zal uitbuiten, zult uitbuiten, zal uitbuiten (4e - 6e pers.) zullen uitbuiten
Conditionalis I: (1e - 3e pers.) zou uitbuiten (4e - 6e pers.) zouden uitbuiten
Perfectum: heb uitgebuit, hebt uitgebuit, heeft uitge