Tenses for uitzuigen Tegenwoordig en verleden deelwoord:
uitzuigend; uitgezogen
Presens:
zuig uit, zuigt uit, zuigt uit
(4e - 6e pers.) zuigen uit
Imperfect:
(1e - 3e pers.) zoog uit
(4e - 6e pers.) zogen uit
Toekomende tijd I:
zal uitzuigen, zult uitzuigen, zal uitzuigen
(4e - 6e pers.) zullen uitzuigen
Conditionalis I:
(1e - 3e pers.) zou uitzuigen
(4e - 6e pers.) zouden uitzuigen
Perfectum:
heb uitgezogen, hebt uitgezogen, heeft uitg