Dutch - English - verstrijken Pronunciation
v. expire, elapse
Dutch - French - verstrijken Pronunciation
1. (vergunning) expirer; arriver à terme; périmer
2. (overeenkomst) expirer; finir
3. (tijd) s'écouler; passer

Share this page
Synonyms for verstrijken
verlopen: voorbijgaan
Verb forms for verstrijken
Tegenwoordig en verleden deelwoord: verstrijkend; verstreken
Presens: verstrijk, verstrijkt, verstrijkt (4e - 6e pers.) verstrijken
Imperfect: (1e - 3e pers.) verstreek (4e - 6e pers.) verstreken
Toekomende tijd I: zal verstrijken, zult verstrijken, zal verstrijken (4e - 6e pers.) zullen verstrijken
Conditionalis I: (1e - 3e pers.) zou verstrijken (4e - 6e pers.) zouden verstrijken
Perfectum: heb verstreken, hebt ve