Tenses for voortslepen Tegenwoordig en verleden deelwoord:
voortslepend; voortgesleept
Presens:
sleep voort, sleept voort, sleept voort
(4e - 6e pers.) slepen voort
Imperfect:
(1e - 3e pers.) sleepte voort
(4e - 6e pers.) sleepten voort
Toekomende tijd I:
zal voortslepen, zult voortslepen, zal voortslepen
(4e - 6e pers.) zullen voortslepen
Conditionalis I:
(1e - 3e pers.) zou voortslepen
(4e - 6e pers.) zouden voortslepen
Perfectum:
heb v