Tenses for vooruitbetalen Tegenwoordig en verleden deelwoord:
vooruitbetalend; vooruitbetaald
Presens:
betaal vooruit, betaalt vooruit, betaalt vooruit
(4e - 6e pers.) betalen vooruit
Imperfect:
(1e - 3e pers.) betaalde vooruit
(4e - 6e pers.) betaalden vooruit
Toekomende tijd I:
zal vooruitbetalen, zult vooruitbetalen, zal vooruitbetalen
(4e - 6e pers.) zullen vooruitbetalen
Conditionalis I:
(1e - 3e pers.) zou vooruitbetalen
(4e - 6e pers.) zouden vo