dictionary extension

Verb Forms

Tegenwoordig en verleden deelwoord: afhalend; afgehaald
Presens: haal af, haalt af, haalt af (4e - 6e pers.) halen af
Imperfect: (1e - 3e pers.) haalde af (4e - 6e pers.) haalden af
Toekomende tijd I: zal afhalen, zult afhalen, zal afhalen (4e - 6e pers.) zullen afhalen
Conditionalis I: (1e - 3e pers.) zou afhalen (4e - 6e pers.) zouden afhalen
Perfectum: heb afgehaald, hebt afgehaald, heeft afgehaald (4e - 6e p
© dictionarist.com