addresses in Dutch

Pronunciation
[address] zn. adres (ook in de computerwereld); een (logische) geheugenpositie in een computersysteem die is aangeduid door een nummer of code; toespraak; lezing
ww. aanspreken; adresseren; zich wenden tot

Example Sentences

Fill in your name and address.
Vul uw naam en adres in.
pronunciation pronunciation pronunciation err
First find out her name and address.
Ontdek eerst zijn naam en adres.
pronunciation pronunciation pronunciation err
He asked me my age, my name, my address, and so forth.
Hij vroeg naar mijn leeftijd, naam en adres enz.
pronunciation pronunciation pronunciation err
He changed his address.
Hij heeft zijn adres gewijzigd.
pronunciation pronunciation pronunciation err
I changed my address last month.
Ik ben afgelopen maand verhuisd.
pronunciation pronunciation pronunciation err
I gave him my address.
Ik gaf hem mijn adres.
pronunciation pronunciation pronunciation err
I gave Tom a fake address.
Ik gaf Tom een vals adres.
pronunciation pronunciation pronunciation err
I know her address.
Ik ken haar adres.
pronunciation pronunciation pronunciation err
I think it's time for me to get a new email address.
Ik denk dat het tijd is dat ik een nieuw e-mailadres aanmaak.
pronunciation pronunciation pronunciation err
I wrote the wrong address on the envelope.
Ik schreef het foute adres op de envelop.
pronunciation pronunciation pronunciation err


© dictionarist.com