bake in Dutch

Pronunciation
ww. bakken; zonnebaden

Example Sentences

I can bake bread.
Ik kan brood bakken.
pronunciation pronunciation pronunciation err
I was baking a cake.
Ik was cake aan het bakken.
pronunciation pronunciation pronunciation err
My mother often bakes apple pies for us.
Mijn moeder bakt ons vaak appeltaarten.
pronunciation pronunciation pronunciation err
Put them on the baking pan and smear them with egg whites.
Zet ze op de bakplaat en smeer ze in met eiwit.
pronunciation pronunciation pronunciation err
She baked a pie.
Zij heeft een taart gebakken.
pronunciation pronunciation pronunciation err
She baked an apple pie.
Zij heeft een appeltaart gebakken.
pronunciation pronunciation pronunciation err
She baked cookies.
Zij heeft koekjes gebakken.
pronunciation pronunciation pronunciation err
She baked me a cake.
Ze heeft voor mij een cake gebakken.
pronunciation pronunciation pronunciation err
Tom baked a pie.
Tom heeft een taart gebakken.
pronunciation pronunciation pronunciation err
Tom baked three pies.
Tom heeft drie taarten gebakken.
pronunciation pronunciation pronunciation err

Synonyms

1. fire: temper, anneal, harden, scorch, char, parch
2. cook in oven: cook, roast, toast, broil, microwave, warm



© dictionarist.com