dictionary extension

Verb Forms

Tegenwoordig en verleden deelwoord: opzettend; opgezet
Presens: zet op, zet op, zet op (4e - 6e pers.) zetten op
Imperfect: (1e - 3e pers.) zette op (4e - 6e pers.) zetten op
Toekomende tijd I: zal opzetten, zult opzetten, zal opzetten (4e - 6e pers.) zullen opzetten
Conditionalis I: (1e - 3e pers.) zou opzetten (4e - 6e pers.) zouden opzetten
Perfectum: heb opgezet, hebt opgezet, heeft opgezet (4e - 6e pers.) h
© dictionarist.com